IEF 13796
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel - voorzieningenrechter
zaaknummer / rolnummer: C/09/461470 / KG ZA 14-263
Vonnis in kort geding van 25 april 2014
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
D.C.M. DAAMEN BEHEER B.V.,
gevestigd te Elst, gemeente Utrechtse Heuvelrug,
eiseres,
advocaat mr. C.J. van Dijk te Ede,
tegen
1.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MAXGUARD NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,
2.
de rechtspersoon naar vreemd recht
MAXGUARD GMBH,
gevestigd te Krefeld, Duitsland,
gedaagden,
advocaat mr. I.C. van Efferen te Rotterdam.
Partijen zullen hierna enerzijds “Daamen” en anderzijds “Maxguard NL” en
“Maxguard DE” genoemd worden. Maxguard NL en Maxguard DE worden gezamenlijk
ook aangeduid als “Maxguard c.s.” (in de derde persoon enkelvoud).
1.
De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 maart 2014, met producties 1 tot en met 8;
- de bij brief van 4 april 2014 van Maxguard c.s. in het geding gebrachte producties 1 tot
en met 7;
- de bij brief van 8 april 2014 van Maxguard c.s. in het geding gebrachte aanvullende
productie 8 (een kostenspecificatie);
- de bij brief van 9 april 2014 van Daamen in het geding gebrachte kostenspecificatie;
- de mondelinge behandeling, gehouden op 11 april 2014, ter gelegenheid waarvan de
raadslieden van partijen pleitnota’s hebben overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
C/09/461470 / KG ZA 14-263
25 april 2014
2.
De feiten
2.1.
Daamen is houdster van de volgende merkinschrijvingen:
2
- het op 20 februari 2012 gedeponeerde en op 31 juli 2013 onder nummer 010659092
ingeschreven Gemeenschaps woord/beeldmerk, hierna afgebeeld, voor waren in de klassen
9 (onder andere veiligheidsschoenen) en 35;
- het op 15 november 2011 gedeponeerde en op 21 november 2011 onder nummer 0910288
ingeschreven Benelux woord/beeldmerk, hierna afgebeeld, voor waren in de klassen 9, 25
en 35;
- het op 8 november 2000 gedeponeerde en onder nummer 0676245 ingeschreven Benelux
woord/beeldmerk, hierna afgebeeld, voor waren in de klassen 9, 25 en 35.
Deze merken zullen hierna afzonderlijk “het Gemeenschapsmerk”, “Beneluxmerk
PYTHON A” en “Beneluxmerk PYTHON B” en gezamenlijk “de merken” genoemd
worden. Het Gemeenschapsmerk en Beneluxmerk PYTHON A worden tezamen ook
aangeduid als “de PYTHON merken”.
2.2.
Daamen brengt onder de PYTHON merken in Nederland veiligheidsschoenen op
de markt.
2.3.
Maxguard DE houdt zich bezig met het ontwerpen, produceren en verhandelen van
veiligheidsschoenen. Maxguard DE verhandelt deze veiligheidsschoenen onder het merk
MAXGUARD in vele Europese landen waaronder Duitsland, de Benelux, het Verenigd
Koninkrijk, Frankrijk, Oostenrijk en Ierland. Maxguard NL is de distribiteur van de door
Maxguard DE geproduceerde veiligheidsschoenen voor de Benelux en het
Verenigd Koninkrijk. Maxguard DE biedt haar veiligheidsschoenen onder meer aan via de
website www.maxguard.de. Op die website kan middels het aanklikken van de Nederlandse
vlag gekozen worden voor een Nederlandse taalversie van de website; in dat geval wordt
Maxguard NL als distributeur vermeld. Op de homepage van de website www.maxguard.de
staat de volgende afbeelding:
C/09/461470 / KG ZA 14-263
25 april 2014
3
2.4.
Maxguard DE heeft haar assortiment veiligheidsschoenen onderverdeeld in
klassen, zoals de P-klasse, de S-klasse, de E-klasse etc. Binnen de verschillende klassen
worden diverse modellen gevoerd die zowel worden aangeduid met een modelnaam als met
een artikelnummer dat wordt voorafgegaan door de letter van de klasse waartoe het model
behoort. De P-klasse bestaat uit drie modellen, te weten model ‘Python’ artikelnummer
P380, model ‘Blue-Python’ artikelnummer P390 en model ‘Blue-Pan’ artikelnummer P190.
In de productcatalogus, brochures en website van Maxguard c.s. zijn voornoemde modellen
opgenomen, onder vermelding van de modelnaam ‘Python’ en ‘Blue-Python’.
2.5.
Bij brief van 17 december 2013 heeft de advocaat van Daamen met een beroep op
de PYTHON merken Maxguard c.s. gesommeerd het gebruik van het teken ‘Python’ voor
veiligheidsschoenen in Europa te staken en gestaakt te houden. Maxguard c.s. heeft aan deze
sommatie geen gehoor gegeven.
3.
Het geschil
3.1.
Daamen vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis,
uitvoerbaar bij voorraad:
(I)
Maxguard c.s. gebiedt inbreuk op de merken te staken en gestaakt te houden;
(II)
Maxguard c.s. beveelt te staken en gestaakt te houden, in Europa of de Benelux,
het aanbieden, in de handel brengen of daartoe in voorraad hebben van
inbreukmakende producten ofwel promotiemateriaal, althans producten (verpakt
in verpakkingsmateriaal) voorzien van de aanduiding “Python”, al dan niet in
combinatie met andere typeaanduidingen;
C/09/461470 / KG ZA 14-263
25 april 2014
4
(III)
Maxguard DE gebiedt iedere aanduiding van het teken “Python” van de website
www.maxguard.de/nl te (doen) verwijderen;
(IV)
Maxguard c.s. beveelt de inbreukmakende producten die zij nog in voorraad
heeft ter verkoop in Europa ofwel de Benelux, niet langer in de handel te
brengen, te verkopen, ter verkoop aan te bieden dan wel anderszins aan het
publiek ter beschikking te stellen;
(V)
Maxguard c.s. beveelt de inbreukmakende promotiematerialen en verpakkingen
die zij nog in voorraad heeft te vernietigen of het teken “Python” zodanig van
verpakkingsmateriaal en promotiemateriaal te verwijderen dat niet langer van
inbreuk sprake zal zijn;
(VI)
Maxguard c.s. beveelt betreffende de inbreukmakende producten opgave te
doen, met overlegging van onderliggende gegevens en gecertificeerd door een
registeraccountant, van (i) adresgegevens van haar zakelijke afnemers, (ii) het
totaal aantal ingekochte en verkochte producten, (iii) de inkoop- en verkoopprijs
en (iv)de omvang van de voorraad en de locatie daarvan;
(VII) Maxguard c.s. beveelt een brief te sturen aan alle afnemers van de
inbreukmakende veiligheidsschoenen, waarin wordt meegedeeld dat de
voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat door het
gebruik van de aanduiding “Python” voor die veiligheidsschoenen ter
vermarkting daarvan inbreuk vormt op de merkrechten van Daamen;
(VIII) Aan de vorderingen onder I tot en met VII een dwangsom te verbinden van
€ 1.000,-, voor zover Maxguard c.s. of met haar verbonden rechtspersonen in
strijd handelen met de geboden respectievelijk verboden met een maximum van
€ 500.000,-,
met veroordeling van Maxguard c.s. in de overeenkomstig artikel 1019h van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te begroten proceskosten, met wettelijke rente
ex artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) daarover en met het bepalen van de
termijn ex artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis.
3.2.
Daamen legt aan haar vorderingen ten grondslag (zoals ter zitting bevestigd) dat
Maxguard c.s. inbreuk maakt op de merken door veiligheidsschoenen aan te bieden onder
het teken Python, dan wel Blue Python, onder meer in Nederland en in Duitsland,
waaronder via de website www.maxguard.de. Daamen stelt dat het teken Python woordelijk
overeenstemt met de merken en in het economisch verkeer wordt gebruikt voor dezelfde of
soortgelijke waren als waarvoor de merken zijn ingeschreven, waardoor bij het publiek
verwarring kan ontstaan. Door het gebruik van het teken Python wordt voorts
ongerechtvaardigd voordeel getrokken uit ofwel afbreuk gedaan aan het onderscheidend
vermogen en de reputatie van de merken, aldus nog steeds Daamen.
3.3.
Maxguard c.s. voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.
De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.
De bevoegdheid van de voorzieningenrechter om kennis te nemen van de
vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op het Gemeenschapsmerk en zijn ingesteld
C/09/461470 / KG ZA 14-263
25 april 2014
5
tegen Maxguard NL berust op de artikelen 95 lid 1, 96 sub a en 97 lid 1 Verordening (EG)
nr. 207/2009 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk (hierna: GMVo) jo. artikel 3
Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk. Omdat Daamen
Maxguard DE verwijt tezamen met Maxguard NL inbreuk te maken op haar
Gemeenschapsmerk door het aanbieden van inbreukmakende producten op een op
Nederland gerichte website, bestaat bevoegdheid op de vorderingen te beslissen op grond
van artikel 97 lid 5 GMVo. Voor zover de vorderingen zijn gegrond op het
Gemeenschapsmerk en zijn ingesteld tegen Maxguard DE terzake gestelde inbreuken van
Maxguard DE buiten Nederland is de voorzieningenrechter bevoegd daarvan kennis te
nemen op grond van artikel 94 GMVo jo. artikel 6 lid 1 Verordening (EG) 44/2001 van de
Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheden, de erkenning en de tenuitvoerlegging van
beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo).1
4.2.
Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de Beneluxmerken geldt het
volgende. In een recent arrest2 heeft het Gerechtshof Den Haag geoordeeld dat de
bevoegdheidsregeling van de EEX-Vo, voor zover die regeling in materieel, formeel en
temporeel opzicht van toepassing is, prevaleert boven artikel 4.6 Benelux-verdrag inzake de
intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) (hierna: BVIE) (r.o. 34 van dat
arrest). Uitgaande van dit oordeel is de voorzieningenrechter internationaal bevoegd kennis
te nemen van de vorderingen jegens Maxguard NL op grond van artikel 2 EEX-Vo, en van
de vorderingen jegens Maxguard DE op grond van artikel 6 lid 1 EEX-Vo. De rechtbank is
relatief bevoegd van deze vorderingen kennis te nemen op grond van artikel 4.6 lid 1 BVIE
althans artikel 102 Rv, nu Daamen stelt dat de veiligheidsschoenen van Maxguard c.s. die
volgens Daamen inbreuk vormen op de merken, via www.maxguard.de worden aangeboden
in heel Nederland, en derhalve mede in het arrondissement Den Haag.
4.3.
De (grensoverschrijdende) bevoegdheid van de voorzieningenrechter is overigens
niet bestreden.
Spoedeisend belang
4.4.
Het spoedeisend belang bij het gevorderde inbreukverbod vloeit voort uit de
gestelde voortdurende inbreukmakende handelingen van Maxguard c.s.
Merkinbreuk
4.5.
Daamen stelt dat zij gerechtigd is het gebruik door Maxguard c.s. van het teken
Python voor de door haar aangeboden veiligheidsschoenen te verbieden op grond van artikel
2.20 lid 1 sub a, b en d BVIE, alsook (naar de voorzieningenrechter begrijpt) op grond van
artikel 9 lid 1 sub a en b GMVo.
4.6.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan Daamen zich op grond
van artikel 9 lid 1 sub b GMVo en artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE verzetten tegen het gebruik
door Maxguard c.s. van het teken Python. Dit zal hierna worden toegelicht.
1
Vgl. Rechtbank Den Haag, 7 mei 2012, IER 2014, nr. 8, (BP/Shell), rechtbank Den Haag 11 juli 2012, IEPT
20120711 (H&M/G-Star) en rechtbank Den Haag 24 oktober 2012, IEPT20121024 (H&M/G-Star).
2 Gerechtshof Den Haag 23 november 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4466 (H&M v. G-Star).
C/09/461470 / KG ZA 14-263
25 april 2014
6
4.7.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de vaststelling van verwarringsgevaar
als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub b GMVo en artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE globaal moet
worden beoordeeld of het in aanmerking komende publiek kan menen dat de betrokken
waren of diensten afkomstig zijn van dezelfde onderneming of van economisch verbonden
ondernemingen. Bij deze beoordeling moeten alle relevante omstandigheden in aanmerking
worden genomen, waaronder de mate van overeenstemming tussen het merk en het teken,
de soortgelijkheid van de waren of diensten die onder het merk en het teken worden
aangeboden, en het onderscheidend vermogen van het merk.
4.8.
De voorzieningenrechter is voorlopig met Daamen van oordeel dat het
onderscheidend vermogen van de merken groot is. Maxguard c.s. heeft dat betwist,
aanvoerende dat de merken geen bekende merken zijn en dat de naam Python niet de
associatie met veiligheidsschoenen oproept. De voorzieningenrechter verwerpt die
betwisting. Ook als juist is dat de merken niet bekend zijn, betekent dit niet dat de merken
geen groot onderscheidend vermogen kunnen hebben. Verder pleit het feit dat de aanduiding
Python gelet op de betekenis daarvan (een slangensoort) niet de associatie van
veiligheidsschoenen oproept of verwijst naar de bestemming van de waar, juist voor een
groot onderscheidend vermogen van de merken zoals Daamen terecht heeft aangevoerd.
4.9.
Partijen zijn het erover eens dat het relevante publiek in beide gevallen bestaat uit
personen werkzaam bij groothandels of dealers in veiligheidsschoenen.
4.10.
Voorts is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat Maxguard c.s. het
teken Python en Blue Python gebruikt ‘voor waren’ als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub b
GMVo en artikel 2.20 lid 1 sub BVIE, of te wel ter onderscheiding van waren van die welke
afkomstig zijn van andere ondernemingen. Maxguard c.s. biedt de betreffende modellen
veiligheidsschoenen in haar productcatalogus, in brochures, op de website
www.maxguard.de, op labels die zijn bevestigd aan de veiligheidsschoenen en op stickers
op de dozen waarin deze zijn verpakt consequent aan onder de tekens Python en Blue
Python. Op de homepage van de website van Maxguard c.s. staat prominent een afbeelding
van de betreffende veiligheidsschoen aangeduid als de Python. Het relevante publiek zal
deze tekens dan ook opvatten als onderscheidingsteken. Dat Maxguard c.s. bij het aanbieden
van haar modellen tevens het (overkoepelende) merk MAXGUARD gebruikt, doet daar
anders dan Maxguard c.s. stelt niet aan af, evenmin als de omstandigheid dat de tekens
Python of Blue Python niet op de veiligheidsschoenen zelf zijn aangebracht.
4.11.
Niet in geschil is dat de in 2.4. beschreven modellen Python en Blue Python
veiligheidsschoenen identiek zijn aan de waren waarvoor Daamen de merken heeft
ingeschreven.
4.12.
De vraag of sprake is van overeenstemming tussen een merk en een teken wordt
globaal beoordeeld aan de hand van de totaalindruk die door merk en teken bij het in
aanmerking komende publiek wordt achtergelaten gelet op de auditieve, begripsmatige en/of
visuele overeenstemming tussen het merk zoals dat is ingeschreven en het teken zoals dat
wordt gebruikt, uitgaande van het min of meer vage herinneringsbeeld dat bij het relevante
publiek blijft hangen. Daarbij moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de
onderscheidende en dominerende bestanddelen van het merk en het teken en in aanmerking
worden genomen dat punten van overeenstemming zwaarder wegen dan punten van
verschil.
C/09/461470 / KG ZA 14-263
25 april 2014
7
4.13.
De PYTHON merken bestaan uit een beeldelement en het woord Python. Naar het
voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het woord “python” het meest
dominerende element en zodoende bepalend voor de totaalindruk van deze merken. De
grafische weergave van de opgerolde slang bezien van bovenaf is slechts een decoratief
beeldelement dat voor de totaalindruk van het Gemeenschapsmerk niet bepalend is. Ook
voor wat betreft het Beneluxmerk PYTHON B is de voorzieningenrechter voorlopig van
oordeel dat het woord “Python” het meest dominant is voor de totaalindruk daarvan. Het
onderschrift “safety shoes” is naar voorlopig oordeel beschrijvend van aard en derhalve niet,
of minder bepalend, terwijl ook hier geldt dat voor het overige sprake is van decoratieve
beeldelementen.
4.14.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het door Maxguard c.s. gebruikte teken
Python auditief, visueel en begripsmatig sterke gelijkenis vertoont met de merken. Het teken
is immers identiek aan het dominante woordelement uit de merken en net als bij de merken
(zoals blijkt uit de beeldelementen) wordt bij de tekens gedoeld op een slang, zoals ter
zitting door Maxguard c.s. is toegelicht, onder verwijzing naar een slangvormig decoratief
element op de betreffende modellen veiligheidsschoenen en gebruik van de vrouwelijke
slangenfiguur op de website en in haar brochures. Het feit dat een ander lettertype wordt
gehanteerd en dat de decoratieve elementen (en ten opzichte van Beneluxmerk PYTHON B
ook de beschrijvende woordelementen) ontbreken, maakt dat niet anders. Ook het teken
Blue Python vertoont om dezelfde redenen een sterke gelijkenis met de merken. Het element
‘Blue’ in dit teken is beschrijvend gelet op het feit dat het betreffende model in de kleuren
zwart en blauw is uitgevoerd (in tegenstelling tot het in zwart en groen uitgevoerde model
Python) en zoals door Maxguard c.s. ter zitting bevestigd. Dat de beoordeling wat betreft het
teken Blue Python anders dient uit te vallen dan van het teken Python is door Maxguard c.s.
ook niet aangevoerd.
4.15.
Gezien de sterke mate van overeenstemming tussen het dominante element van de
merken en de door Maxguard c.s. gebruikte tekens, het grote onderscheidende vermogen
van de merken en het feit dat Maxguard c.s. de tekens gebruikt voor identieke waren als
waarvoor de merken zijn ingeschreven en feitelijk worden gebruikt, is de
voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat door het gebruik van de tekens Python en
Blue Python verwarring bij het publiek kan ontstaan. Het in aanmerking komende publiek
zal namelijk op grond van de gebruikte tekens op zijn minst kunnen menen dat de betrokken
waren van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn. Dat verwarringsgevaar
wordt niet weggenomen doordat voor de door Maxguard c.s. aangeboden
veiligheidsschoenen steeds (tevens) het teken MAXGUARD wordt gebruikt, omdat het
goed mogelijk is dat het relevante publiek zal aannemen dat Daamen en Maxguard c.s.
economisch verbonden ondernemingen zijn. Zodoende is voorshands oordelend sprake van
merkinbreuk.
4.16.
Maxguard c.s. heeft nog betoogd dat de merken niet bekend zijn en dat Daamen
niet grootschalig aanwezig is op de markt, zeker niet buiten Nederland. De
voorzieningenrechter passeert deze stellingen, nu zij, ook indien juist, niet in de weg staan
aan een succesvol beroep van Daamen op de artikelen 9 lid 1 sub b GMVo en 2.20 lid 1 sub
b BVIE.
C/09/461470 / KG ZA 14-263
25 april 2014
8
4.17.
Maxguard c.s. heeft tot slot aangevoerd dat een derde partij eveneens
veiligheidsschoenen aanbiedt onder gebruikmaking van de aanduiding “python” voor één
van haar modellen. De voorzieningenrechter gaat aan deze stelling voorbij, omdat de
omstandigheid dat een derde mogelijk eveneens inbreuk maakt op de merken, niet in de weg
staat aan het geven van een inbreukverbod in de onderhavige zaak.
4.18.
Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Vorderingen
4.19.
Het door Daamen gevorderde verbod op inbreuk op de merken zal gezien het
voorgaande voor de Europese Unie, respectievelijk de Benelux worden toegewezen op de
wijze als in het dictum vermeld. De daaraan te verbinden dwangsom zal alleen worden
gesteld op met het inbreukverbod strijdige handelingen van Maxguard c.s. en niet tevens op
handelingen van aan Maxguard c.s. verbonden rechtspersonen die geen partij zijn in deze
procedure, nu daarvoor geen rechtsgrond is. Voorts zal de gevorderde dwangsom worden
gematigd.
4.20.
De vorderingen onder II, III en V zijn een precisering van hetgeen onder I is
gevorderd. Niet valt in te zien dat Daamen belang heeft bij afzonderlijke toewijzing van
deze vorderingen, naast de al toe te wijzen verbodsvordering. Derhalve worden de
vorderingen onder II, III en V afgewezen.
4.21.
De voorzieningenrechter acht het te verstrekkend om Maxguard c.s. te verbieden
de veiligheidsschoenen model “Python” en “Blue Python” die zij nog in voorraad heeft te
verhandelen. Nadat de aanduidingen “Python” en “Blue Python” van de labels aan de
schoenen en van de dozen waarin de betreffende schoenen zijn verpakt, zijn verwijderd,
kunnen deze immers worden verhandeld zonder dat Maxguard c.s. daardoor merkinbreuk
maakt en zonder dat daardoor enig belang van Daamen wordt geschaad. Derhalve wordt ook
de vordering onder IV afgewezen.
4.22.
Daamen heeft gevorderd Maxguard c.s. te bevelen een brief te sturen aan alle
afnemers van de inbreukmakende veiligheidsschoenen, waarin wordt meegedeeld dat de
voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat het gebruik van de
aanduiding “Python” voor die veiligheidsschoenen ter vermarkting daarvan inbreuk vormt
op de merkrechten van Daamen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft
Daamen hierbij voldoende spoedeisend belang omdat deze nevenvordering zodanig nauw
verwant is met de hoofdvordering tot staking van inbreuk dat de spoedeisendheid van deze
laatste vordering ook deze nevenvordering spoedeisend maakt (vgl. HR 25 oktober 2013,
ECLI:NL:HR:2013:1036). Dientengevolge wordt de vordering sub VII toegewezen als in
het dictum bepaald en uitsluitend wat betreft zakelijke afnemers.
4.23.
Anders dan Daamen heeft gesteld, ontbreekt bij de vordering onder VI voorshands
oordelend grotendeels voormelde nauwe verwantschap met de hoofdvordering. Desub ii, iii
en iv gevorderde opgave van aantallen ingekochte en verkochte producten, met inkoop- en
verkoopprijzen en voorraadinformatie versterkt het inbreukverbod niet. Wat betreft deze
informatie wordt de vordering sub VI dan ook afgewezen. De sub VI onder i gevorderde
adresgegevens van zakelijke afnemers, zijn wel toewijsbaar, echter zonder
C/09/461470 / KG ZA 14-263
25 april 2014
9
accountantscontrole, omdat deze informatie gelet op de toe te wijzen rectificatiebrieven,
dient ter controle dat aan genoemd bevel wordt voldaan.
Proceskosten
4.24.
Maxguard c.s. zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden
veroordeeld in kosten van deze procedure ex artikel 1019h Rv. Volgens opgave van Daamen
bedragen haar kosten inclusief verschotten € 6.222,06 exclusief btw en € 7.401,01 inclusief
btw. Maxguard c.s. heeft niet betwist dat deze kosten redelijk en evenredig zijn. Daamen
heeft niet gesteld dat zij de btw niet kan verrekenen, en derhalve onvoldoende gesteld om
aan te nemen dat de btw voor haar een schadepost vormt. Gelet hierop zullen de gevorderde
kosten worden toegewezen tot een bedrag van € 6.222,06 exclusief btw.
4.25.
Het recht van Daamen op vergoeding van proceskosten vloeit niet voort uit een
handelsovereenkomst. Derhalve zal over de proceskosten niet de wettelijke rente ex artikel
6:119a BW maar de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW worden toegewezen.
5.
De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
beveelt Maxguard c.s. binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis iedere
inbreuk op het Gemeenschapsmerk in de Europese Unie en iedere inbreuk op Beneluxmerk
PYTHON A en Beneluxmerk PYTHON B in de Benelux, te staken en gestaakt te houden,
waaronder het aanbieden, in de handel brengen en daartoe in voorraad hebben
van veiligheidsschoenen onder het teken PYTHON en/of BLUE PYTHON;
5.2.
beveelt Maxguard c.s. binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan alle
zakelijke afnemers in de Europese Unie aan wie Maxguard c.s. veiligheidsschoenen onder
het teken PYTHON en/of BLUE PYTHON heeft verkocht via e-mail en per post de
navolgende tekst met uitsluitend de navolgende inhoud (en indien sprake is van buitenlandse
afnemers vertaald in het Engels) te sturen op briefpapier met het briefhoofd van Maxguard
NL respectievelijk Maxguard DE:
“Geachte heer, mevrouw,
U heeft van ons (reclame- en verpakkings)materiaal ontvangen ten aanzien van de door ons
aangeboden en verkochte veiligheidsschoenen onder de type-aanduiding “Python” en/of
“Blue Python”.
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 25 april 2014
geoordeeld dat gebruik van de tekens “Python” en “Blue Python” door Maxguard voor
veiligheidsschoenen inbreuk maakt op de merkrechten van D.C.M. Daamen Beheer B.V. te
Elst (U). De voorzieningenrechter heeft ons veroordeeld deze inbreukmakende situatie per
omgaande te beëindigen. Indien gewenst sturen wij u een afschrift van het vonnis.
Hoogachtend,
Maxguard Nederland B.V. / Maxguard GmbH.”
C/09/461470 / KG ZA 14-263
25 april 2014
10
5.3.
beveelt Maxguard c.s. gelijktijdig met de verzending van de brieven als bedoeld
in 5.2 aan de raadsman van Daamen kopieën van deze brieven toe te zenden, tezamen met
een overzicht van alle zakelijke afnemers in de Europese Unie aan wie Maxguard c.s.
veiligheidsschoenen onder het teken PYTHON en/of BLUE PYTHON heeft verkocht en/of
geleverd met hun volledige en juiste namen en adressen;
5.4.
veroordeelt Maxguard c.s. tot betaling van een dwangsom van € 500,- aan Daamen
voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de betreffende gedaagde in gebreke blijft te voldoen
aan het onder 5.1, 5.2, en/of 5.3 gegeven bevel, tot een maximum van € 100.000,- per
gedaagde;
5.5.
veroordeelt Maxguard c.s. in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van
Daamen begroot op € 6.222,06 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW
te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele
voldoening;
5.6.
bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in
artikel 1019i Rv op zes maanden na dagtekening van dit vonnis;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.M. Loos en in het openbaar uitgesproken op
25 april 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.