Radboud
Faculteit der
Medische
Wetenschappen
Bloktoets
Datum
Aanvang
50MZ1 Pathofysiologie
26 september 2014
13:00 uur
Deze tentamenset kunt u na afloop meenemen.
Bij deze toetsset wordt tevens een afbeeldingenset uitgereikt.
ALGEMENE AANWIJZINGEN:
•
Dit tentamen bestaat uit 79 vragen, waarvan 78 meerkeuzevragen en 1 open vraag.
•
De beschikbare tijd is 2 uur. Controleer of uw tentamenset compleet is.
• Vermeld op elk antwoordformulier duidelijk uw naam en studentnummer.
•
Het gebruik van alle audiovisuele en technische hulpmiddelen is niet toegestaan, tenzij expliciet
vermeld elders op dit voorblad. Mocht u dergelijke apparatuur toch gebruiken, dan zal dit als
fraude worden aangemerkt. Op uw tafel mogen uw studenten- en registratiekaart en los
schrijfmateriaal liggen. Etui's moeten van tafel.
AANWIJZINGEN EN INSTRUCTIE MEERKEUZEVRAGEN:
•
Bij iedere vraag is slechts één alternatief het juiste of het beste.
•
U geeft het naar uw mening juiste antwoord aan door het~ voor het betreffende alternatief te
omcirkelen.
• Vragen waar u door tijdnood niet aan toekomt, laat u onbeantwoord. Acht u alle alternatieven, na
zorgvuldige bestudering, even juist, dan moet u de vraag niet beantwoorden. Kunt u één of
meerdere alternatieven elimineren, dan moet u de vraag wel beantwoorden.
• Wanneer u het tentamen beëindigd hebt, dient u uw antwoorden (dus de omcirkelde CIJFERS)
zorgvuldig over te brengen op het antwoordformulier, gebruik hiervoor een HB-potlood. Corrigeer
fouten met gum. Verwijder gumresten zorgvuldig van uw antwoordformulier.
• Als u een vraag wilt open laten vult u het hokje boven het vraagteken "?" in.
• De op het antwoordformulier ingevulde antwoorden worden beschouwd als uw definitieve
antwoorden, ongeacht uw omcirkelingen in uw toetsboekje.
• Meer dan één ingevuld antwoord per vraag wordt als blanco geïnterpreteerd.
• Schrijf niet buiten de invulvelden van het antwoordformulier.
• Als u uw antwoordformulier vlekt, vouwt, beschadigt of de invulinstructies negeert kan het niet
correct worden verwerkt. Vraag de surveillant in dergelijke gevallen om een nieuw blanco
antwoordformulier! Indien u dit verzuimt zijn de gevolgen daarvan voor uw rekening.
AANWIJZINGEN EN INSTRUCTIE OPEN VRAGEN:
• Voor de beantwoording van deze vragen heeft u aparte antwoordformulieren ontvangen.
•
Beantwoord de vragen volledig, maar zo beknopt mogelijk op deze antwoordformulieren in de
daarvoor opengelaten ruimten. Voor beantwoording van de vragen eventueel de achterkant van
het formulier gebruiken.
• Schrijf duidelijk leesbaar en gebruik geen afkortingen, het gebruik van een potlood is ongewenst.
• Onleesbaar beantwoorde vragen worden fout gerekend.
De vragen worden als volgt gescoord:
an tw oord en:
Goe d
FOU
QQ_en
2 keuze-vraag
1
-1
0
Punten
3 keuze-vraag
1
0
punten
-%
4 keuze-vraag
1
0
punten
- 1/3
5 keuze-vraag
1
0
punten
-Y.
1 open vraag
maximaal: zie in uw toetsboekje ... .aantal punten
Lever na afloop de antwoordformulieren m. lnd1en u commentaar heeft op de vragen, verwijzen
we u naar de hyperlink die is opgenomen bij uw toetsindeling in uw webdossier t.b.v. het
digitaal studentcommentaarformulier voor deze toets.
LET OP!!
ZET EERST UW NAAM EN STUDENTNUMMER OP
Antw.form./12·9·2014
ELK ANTWOORDFORMULIER!
Thema: Genetica
Casus bij open vraag 1 en meerkeuzevraag 1 tot en met 3
Vraag 1- Open Vraag (3 punten)
Marijke is een vrouw van 30 jaar oud met verschijnselen van de ziekte van Huntington. Zij heeft een
gezonde jongere zus en een oudere zus waarbij vergelijkbare symptomen als Marijke rond het 30-ste
levensjaar optraden. Haar vader heeft vanaf zijn veertigste geleden aan een neumdegeneratieve
aandoening en zijn moeder vanafhaar 45-ste. Zowel de vader en de oma (van vaders kant) van
Marijke zijn rond hun 70-ste overleden. Haar oom en tante, een broer en zus van haar vader, zijn
gezond. Haar oudere zus heeft een gezonde zoon. Ook de moeder van Marijke is gezond. De ziekte
van Huntington wordt veroorzaakt door een poly-Gln repeat expansie in het huntingtin (HTT) gen.
Teken hieronder de stamboom van de familie van Marijke:
(Doe dit op het Antwoordset.)
~eer keuzevragen
Vraag 1
Welk type overerving is het meest waarschijnlijk?
1.
Autosomaal dominant (met anticipatie).
2.
Autosomaal recessief.
3.
X-gebonden.
Vraag 2
Welke diagnostische test komt het meest in aanmerking om het genetische defect in deze familie te
vinden?
1.
ArrayCGH.
2.
Fragment lengte analyse m.b.v. van PCR.
Vraag 3
Welk materiaal is er nodig voor het detecteren van een verlengde repeat in het HTT gen?
1.
Delende cellen.
2.
DNA geïsoleerd uit bloed.
Vraag 4
Door het versmelten van twee acrocentrische chromosomen ontstaat er een:
1.
reciproke translocatie.
2.
Robertsoniaanse translocatie.
Vraag 5
Patiënten met Edward syndroom hebben intra-uteriene groeiachterstand en congenitale
hartafwijkingen. Ook nierafwijkingen komen relatiefvaak voor. Dit syndroom, waarbij patiënten drie
chromosomen 18 hebben in hun lichaamscellen, wordt in 90% van de gevallen veroorzaakt door
nondisjunctie tijdens de vorming van de:
1.
eicellen.
2.
zaadcellen.
2
Vraag 6
Met behulp van exoomsequencing wordt een homozygote missense verandering gevonden in een
patiënt met erfelijke doofheid. Deze variant wordt ook gevonden in 5% van de gehele populatie. De
variant is hoogstwaarschijnlijk een:
1.
niet pathogene mutatie.
2.
niet pathogeen single nucleotide polymorfisme.
3.
pathogene mutatie.
4.
pathogeen single nucleotide polymorfisme.
Vraag7
Mutaties in het cystic fibrosis transmembrane conductance regulator (CFTR) gen veroorzaken
autosomaal recessieve cystische fibrose (CF). Tot dusverre zijn meer dan 1000 verschillende mutaties
in het CFTR gen gedetecteerd. Afhankelijk van hun invloed op de activiteit van het CFTR eiwit,
kunnen deze mutaties tot meer of minder ernstige vormen van CF leiden. Welke van de onderstaande
genotypes zal waarschijnlijk gevonden worden bij een patiënt met klassieke CF?
1.
p.Phe508del/normal.
2.
p.Phe508del/p.Arg34 7His.
3.
p.Phe508del/p.Trp1204*.
Vraag 8
MELAS (Mitochondria! Encephalomyopathy, Lactic Acidosis, and Stroke-like episodes) is een
mitochondriële aandoening veroorzaakt door een mutatie in het mtDNA. Welk fenomeen zorgt voor
grote variabiliteit in klinische ernst binnen 1 familie met een pathogene MELAS mutatie?
1.
Anticipatie.
2.
Heteroplasmie.
3.
Mozaïcisme.
Vraag 9
De volgende drie aandoeningen zijn (deels) genetisch bepaald: verstandelijke beperking (VB;
prevalentie ~2% van de bevolking), haemochromatose (HC; prevalentie ~0,01% van de bevolking) en
Duchenne Muscular Dystrofie (DMD; ~0,025% in mannen). Voor welke aandoening is de genetische
component het kleinst?
1.
DMD.
2.
HC.
3.
VB.
Vraag 10
De liability van een individu voor een multifactoriële ziekte wordt bepaald door het:
1.
totaal aan genetische en omgevingsfactoren.
2.
totaal aan genetische factoren.
3.
totaal aan omgevingsfactoren.
Vraag 11
Voor een aandoening waarvan bekend is dat zowel omgevingsinvloeden en genetische factoren
verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de aandoening wordt een uitgebreid onderzoek uitgevoerd
met een groot aantal monozygote (MZ) en dizygote (DZ) tweelingen. De concordantie bij MZ blijkt
significant hoger dan bij DZ tweelingen. Welke van de onderstaande uitspraken is het meest
waarschijnlijk?
1.
Bijdrage van omgevingsfactoren is hoger dan die van genetische factoren.
2.
Bijdrage van omgevingsfactoren is lager dan die van genetische factoren.
3
Vraag 12
De odds ratio (OR) van de meeste genetische varianten die bijdragen aan multifactoriële ziekten is
klein (1,1 tot 1,5). Voor een specifieke variant op chromosoom 7 is de odds ratio voor het krijgen van
manische depressiviteit 1,5 per allel. Kees is heterozygoot voor deze variant. Wat is de verhoging in
kans dat Kees manische depressief zal worden ten opzichte van iemand die dit allel niet heeft?
1.
1,00.
2.
1,50.
3.
2,25.
4.
3,00.
Vraag 13
Met welk studiedesign wordt de genetisch component, de heritability, van een multifactoriële
aandoening bepaald?
1.
Associatiestudie.
2.
Tweelingenstudie.
Thema: Celschade en veroudering
Vraag 14
Afbeelding 1 bevat een microscopisch fragment afkomstig uit de normale lever. Welke structuur wordt
er aangeduid met de letter X?
1. Aftakking a. hepatica.
2. Aftakking galgang.
3. Aftakking v. centralis.
4. Aftakking v. portae.
Vraag 15
Bestudeer afbeelding 1. Welke structuur wordt er aangeduid met de letter Y?
1. Aftakking a. hepatica.
2. Aftakking galgang.
3. Aftakking v. centralis.
4. Aftakking v. portae.
Vraag 16
Met welk cijfer in afbeelding 2 wordt de ruimte van Disse aangeduid?
1.
Met cijfer 1.
2.
Met cijfer 2.
3.
Met cijfer 3.
4.
Met cijfer 4.
Vraag 17
Als gevolg van een langdurig optredende drukwerking of wrijving op de huid kan hyperkeratose
optreden. Het stratum comeum van de epidermis neemt daarbij in dikte toe. Welk begrip omschrijft
deze verandering?
1.
Dysplasie.
2.
Hyperplasie.
3.
Metaplasie.
4.
Neoplasie.
4
Vraag 18
Welk fenomeen is verantwoordelijk voor de volumeafname van een atrofiërende cel?
1.
Dysfunctie van de Na+-K+ pomp en het uittreden van water.
2.
Proteasomale eiwitdegradatie en autofagocytose.
3.
Verlies van glycogeenhoudendbeid ten gevolge van glycolyse.
Vraag 19
Bij amyloïdose is sprake van een pathologische extracellulaire afzetting van bepaalde typen eiwitten.
Wat is kenmerkend voor deze extracellulaire afzetting?
1.
De chemische samenstelling van het product.
2.
De gevouwen structuur van het product.
De interactie van het product met het celmembraan.
3.
4.
Het molecuulgewicht van het product.
Vraag 20
Waarom is overmatige stapeling van ijzer schadelijk voor een cel?
1.
De ijzerionen hopen zich op in de celkern waarbij DNA-schade ontstaat.
2.
De ijzerionen katalyseren een reactie waarbij zuurstofradicalen ontstaan.
3.
De ijzerionen verstoren de colloïd-osmotische druk van het cytoplasma.
4.
De ijzerionen verstoren de integriteit van het celmembraan.
Vraag 21
IJzer kan worden gestapeld in levercellen. Op welke manier vindt deze ijzerstapeling plaats?
1.
Via binding aan eiwitten.
2.
Via opslag in lysosomen.
3.
Via vorming van metallisch ijzer.
Vraag 22
Op welk proces berust de veroudering van een organisme?
1.
Op degeneratie en verlies van elastine vezels.
2.
Op opeenstapeling van DNA-schade.
3.
Op slijtage van enzymen die ATP vormen.
Vraag23
Omschrijving: Neutrafiele granulocyten bezitten enzymen die in staat zijn dode cellen en microorganismen op te ruimen. Deze enzymen kunnen echter ook het gezonde weefsel schade toebrengen.
Massale infiltratie van neutrafiele granulocyten kan zo leiden tot grote collaterale weefselschade en tot
necrose. Welk type necrose past bij de bovenstaande omschrijving?
1.
Coagulatienecrose.
2.
Fibrinoïde necrose.
3.
Verkazende necrose.
4.
Vervloeiingsnecrose.
Vraag24
Steatose is een reversibele vorm van celschade in de lever. In welk microscopisch beeld van
afbeelding 3 is steatose zichtbaar?
1.
In afbeelding A.
2.
In afbeelding B.
3.
In afbeelding C.
5
Vraag 25
Stelling: Fibrose is een proces waarbij het normale weefsel geleidelijk wordt vervangen door
bindweefsel dat rijk is aan fibrine. Deze stelling is:
1.
juist.
2.
onjuist.
Vraag 26
Ouderdomspigment (lipofuscine) kan accumuleren in hepatocyten. In welk microscopisch beeld van
afbeelding 4 is deze lipofuscine accumulatie zichtbaar?
1.
In afbeelding A.
2.
In afbeelding B.
3.
In afbeelding C.
Vraag 27
Een man, 35 jaar oud, meldt zich bij de huisarts met algehele malaise. Bij lichamelijk onderzoek valt
een vergeling van het oogwit op. Daarnaast stelt de arts een gegeneraliseerd oedeem vast bij de
patiënt. Na doorvragen geeft meneer toe overmatig alcohol te gebruiken. In het ziekenhuis wordt er
een leverbiopt genomen. Met welk microscopisch beeld van afbeelding 5 correspondeert dit specifieke
leverbiopt?
1.
Met afbeelding A.
2.
Met afbeelding B.
3.
Met afbeelding C.
Vraag 28
Een man, 38 jaar oud, meldt zich bij de huisarts met hoofdpijn en misselijkheid. Deze klachten zijn 2
maanden geleden ontstaan. Bloedonderzoek toont een hypercalciëmie, een hypofosfatemie en een
normaal serum albumine. Microscopisch onderzoek van de urine (urine cytologie) toont de
aanwezigheid van deposities. Welke van de onderstaande processen is de veroorzaker van deze
deposities?
1.
Cellulaire veroudering.
2.
Dysplasie van het nierepitheeL
3.
Neoplasie van het nierepitheeL
4.
Metastatische verkalking.
Thema: Ontsteking en Wondgenezing
Vraag 29
Welk celtype uit afbeelding 6 verschijnt doorgaans als eerste in het beschadigde weefsel na het
optreden van acute weefselschade?
1.
Celtype A.
2.
Celtype B.
3.
Celtype C.
4.
Celtype D.
Vraag30
Welke stelling is ONJUIST?
1.
Bradykinine bezit een vasoactieve potentie tijdens de initiatie van de ontsteking.
2.
Bradykinine is verantwoordelijk voor het ontstaan van do lor tijdens de ontsteking.
3.
Kallikreine, een voorloper van bradykinine, is een potente activator van de Rageman factor.
6
Vraag 31
Welke twee factoren kunnen zorgen voor opsonisatie?
1.
C3b en IgG.
C3b en prostaglandine.
2.
3.
C5b en IgG.
4.
Prostaglandine en histamine.
Vraag 32
Welke factor is in staat het setpoint in het temperatuursregulatiecentrum op een hogere waarde in te
stellen?
Leukotrieen.
1.
2.
Prostaglandine.
ROS.
3.
Thromboxaan.
4.
Vraag 33
Bij patiënten met psoriasis vertonen de cellen van de epidermis, de keratinocyten, een verandering in
groei en uitrijping. Dit is zichtbaar in afbeelding 7. De veranderingen bij psoriasis uiten zich klinisch
in een witte/zilvergrijze schilfering van de huid, roodheid en jeuk. Als gevolg van schade ontstaat er
een ontstekingsreactie waarbij leukocyten uit de vaten treden naar het interstitium. Waar zijn deze
vaten gelegen?
1.
In de epidermis.
2.
In de stratum papillare.
3.
In de stratum reticulare.
4.
In de subcutis.
Vraag34
Bestudeer nogmaals afbeelding 7. Als gevolg van de cytokine productie vindt chemotaxis plaats.
Welke definitie hoort bij chemotaxis?
1.
Een gerichte beweging van witte bloedcellen naar de plaats van weefselschade onder invloed
van een gradiënt van ontstekingsmediatoren.
2.
De marginatie, rolling en extravasatie van neutrafiele granulocyten door expressie van
adhesiemoleculen op het endotheeloppervlak
3.
De toename van de dikte van de epidermis door deling van de keratinocyten onder invloed van
chemische mediatoren.
Vraag35
Bestudeer nogmaals afbeelding 7. Extravasatie van leukocyten vindt plaats vanuit:
1.
de capillairen.
2.
de elastische arteriën.
3.
de musculeuze arteriën.
7
Vraag 36
Lees de onderstaande tekst en geef aan welke type medicatie moet worden ingevuld op de plaats van
de X.
X oefenen hun effect uit in de celkern. In het cytoplasma van vrijwel alle lichaamscellen bevinden zich
specifieke receptoren (eiwitten) die na binding met X een conformatieverandering ondergaan
waardoor ze een hoge affmiteit krijgen voor DNA. In de celkern binden vervolgens deze
receptorcomplexen aan specifieke respons elementen in het DNA waardoor transcriptie van sommige
genen wordt voorkomen en van anderen juist wordt gestimuleerd. Hierdoor wordt de synthese van
belangrijke eiwitten in het inflammatieproces beïnvloed. Door deze effecten van X worden zowel
vroege als late manifestaties van het ontstekingsproces geremd, ongeacht de trigger van de
inflammatie.
1.
2.
3.
Anti-histaminica.
Glucocorticosteroïden.
Leukotriëenreceptorantagonisten.
Casus bij Vraag 37 tot en met 41
Mevrouw S, 48 jaar oud, wordt op de eerste hulp van het ziekenhuis gezien met sinds enkele dagen
hoge koorts tot 39,6 °C, koude rillingen en algehele malaise. Mevrouw is toenemend kortademig en
geeft bloederig sputum op. Bij laboratoriumonderzoek blijkt de bloedbezinking 67 mm na 1 uur
(normaalwaarde 2-12 mm), het C-reactieve proteïne (CRP) 102 mg/1 (normaalwaarde 0-10 mg/1) en
het totaal aantalleukocyten 18,3x109/l (normaalwaarde 4-10x109/l). De röntgenfoto toont een
rechtszijdige lobaire pneumonie. De ademfrequentie van mevrouw S. is 40/min, de bloeddruk 80/50
mmHg, pols 120/min. De arteriële bloedgasanalyse toont een hoge mate van verzuring.
Bloedwaarden:
Leukocyten totaal
Eosinofiele granulocyten
Basofiele granulocyten
Neutrotiele granulocyten
Lymfocyten
Monocytt1n
Patiënt:
18.30xl09 /1
0.05xl09/l
O.Olxl09/l
14.61x109/l
3.26x109/l
0.25xl09/l
Normaalwaarde:
4.0-1 O.Ox1 09/1
0.00-0.4x10 9/l
0.00-0.20x109/l
1.60-8.30xl 09/1
0.80-4.00x109/l
0.20-0.80x10 9/l
Longbiopsie toont het microscopisch beeld van afbeelding 8.
Vraag 37
Het bloedbeeld van deze patiënt is indicatief voor een:
1.
bacteriële infectie.
2.
parasitaire infectie.
3.
virale infectie.
Vraag38
Bij deze patiënt is er sprake van neutrofilie. Wat verstaat men onder neutrofilie?
1.
Een toegenomen concentratie van neutrotiele granulocyten in de bloedbaan.
2.
Een toegenomen infiltratie van neutrotiele granulocyten naar het interstitium.
3.
Een toegenomen marginatie, rolling en extravasatie van neutrotiele granulocyten.
4.
Een toegenomen recrutering van neutrotiele granulocyten op de plek van ontsteking.
8
Vraag 39
Welke fase van de ontsteking is passend bij het longbiopt van deze patiënt (Afbeelding 8)?
1.
De amplificatiefase.
2.
De exsudatiefase.
3.
De herstelfase.
4.
De initiatiefase.
Vraag 40
Welk microscopisch bloedbeeld uit afbeelding 9 is passend bij deze casus?
1.
Afbeelding A.
2.
Afbeelding B.
3.
Afbeelding C.
Vraag 41
Als gevolg van de toestand van de patiënt kan multiorgaanfalen (MODS) optreden. Dit uit zich onder
andere in de nieren. Welk gedeelte van de nier ondervindt het eerst schade bij dit proces?
1.
De distale tubulus.
2.
De glomerulus.
3.
De proximale tubulus.
4.
De verzamelbuis.
Vraag 42
Welk proces wordt er aangeduid bij de letter X in afbeelding 10?
1.
Adherentie.
2.
Diapedese.
3.
Intemalisatie.
4.
Marginatie.
Vraag 43
Tijdens de vroege fase van de wondgenezing, worden fibroblasten geactiveerd tot de productie van
collageen type III. In welke microscopisch beeld van afbeelding 11 is dit proces zichtbaar?
1.
Afbeelding A.
2.
Afbeelding B.
3.
Afbeelding C.
Vraag44
Voorafgaand aan het proces van littekenvorming wordt er op de plaats van beschadiging
granulatieweefsel neergelegd. In welke microscopisch beeld van afbeelding 12 is dit granulatieweefsel
zichtbaar?
1.
Afbeelding A.
2.
Afbeelding B.
3.
Afbeelding C.
Vraag 45
Welk proces wordt er afgebeeld in afbeelding 13?
1.
Angiogenese.
2.
Coagulatie.
3.
Fagocytose.
4.
Wondcontractie.
9
Vraag 46
Een infectie met Mycobacterium Tuberculosis is door het imuunsysteem zeer moeilijk te bestrijden.
De infectie triggert uiteindelijk een heftige immuunrespons waarbij T -cellen macrofagen rekruteren en
activeren. Deze macrofagen differentiëren vervolgens tot epitheeJachtige histiocyten die het microorganisme bestrijden. Daarbij brengen ze echter ook schade toe aan het pre-existente longweefseL Dit
uit zich in het ontstaan van zogenaamde granulomen: chronische ontstekingshaarden bestaande uit
verschillende ontstekingscellen en celdebris. Warmeer het wondgenezingsproces in gang wordt gezet
vindt herstel plaats door middel van:
1.
regeneratie.
2.
reparatie.
Vraag 47
Het Mycobacterium Tuberculosis kan zich in een latere fase van de ziekte verspreiden over het gehele
lichaam. Bestudeer afbeelding 14. Welk weefsel werd hier geïnfecteerd?
1.
Leverweefsel.
2.
LongweefseL
3.
NierweefseL
4.
Perifeer vetweefsel.
Vraag 48
In de granolomen kunnen meerkemige reuscellen worden waargenomen. Uit welk celtype ontstaan
deze meerkemige reuscellen?
1.
Fibroblasten.
2.
Lymfocyten.
3.
Macrofagen.
4.
Neutrofiele granulocyten.
Thema: Circulatiestoornissen
Vraag 49
Afbeelding 15 bevat een EvM-kleuring. Welk type vat is zichtbaar in afbeelding 15?
1.
Arteriole.
2.
Capillair.
3.
Lymfevat.
4.
Venule.
Vraag 50
In de tunica adventitia van grote vaten kunnen kleine bloedvaatjes worden aangetroffen. Wat is de
functie van deze vaatjes?
1.
Het aanvoeren van signaalstoffen die het grote vat laten vemauw'en of verwijden.
2.
Regulatie van een adequate bloeddruk van de lichaamscirculatie.
3.
Voeding van de structuren die zich bevinden in de wand van het grote vat.
Vraag 51
Omschrijving: dit type van arteriën zorgt voor een variabele verdeling van het bloed over de
verschillende regio's of organen. Dit type arteriën wordt daarom ook wel distributiearteriën genoemd.
Bij welk type arteriën past deze omschrijving?
1.
Elastische arteriën.
2.
Musculeuze arteriën.
10
Vraag 52
Het microscopisch beeld van afbeelding 16 toont een bloedvat. Dit bloedvat is aangedaan als gevolg
van het proces van atherosclerose. Welke zijde is de luminale zijde van het bloedvat?
1.
Zijde 1.
2.
Zijde 2.
Vraag 53
Als gevolg van het proces van atherosclerose in de coronairarteriën kan een myocardinfarct ontstaan.
Het microscopische beeld van afbeelding 17 toont een myocardinfarct Wat zijn de morfologische
tekenen die op een infarct wijzen?
1.
Basofilie van de spiervezels en infiltratie door neutrotiele granulocyten.
2.
Eosinofilie van de spiervezels en infiltratie door lymfocyten.
3.
Kernverlies van de spiervezels en infiltratie door neutrotiele granulocyten.
4.
Zwelling van de kernen van de spiervezels en infiltratie door lymfocyten.
Vraag 54
Tijdens een transmuraal myocard infarct ontstaan de necrotische gebieden in eerste instantie
subendocardiaaL De necrose kan zich vervolgens over de gehele hartwand uitstrekken. Wat is de reden
voor dit fenomeen?
1:
De hoge mate van zuurstofconsumptie in de subendocardiale regio; deze maakt dit gebied
gevoeliger voor zuurstoftekort.
2.
De infiltratie van neutrotiele granulocyten; deze start subendocardiaal en breidt zich uit
richting het pericardium.
3.
De verschillende mate van zuurstofverzadiging van het bloed subendocardiaal en subpericardiaal; deze is lager subendocardiaaL
Vraag 55
De microscopische beelden uit afbeelding 18 tonen een beschadigd myocardium als gevolg van een
infarct. Bestudeer de beelden. Welk infarct is recenter ontstaan?
1.
Infarct 1.
2.
Infarct 2.
Vraag 56
Welke harthelft is primair aangedaan wanneer er ascites ontstaat ten gevolge van hartfalen?
1.
De linker harthelft.
2.
De rechter harthelft
Vraag 57
Een man van 27 jaar is aan het duiken bij de Stelhoeve aan de Oostersehelde en bereikt een diepte van
30 meter. Na 30 minuten bemerkt hij een storing in zijn apparatuur en begeeft zich met spoed naar de
oppervlakte. Op de oever krijgt hij last van zijn ademhaling met kortademigheid en pijn op de borst.
Ook krijgt hij hoofdpijn en wordt duizelig. Ongeveer 1 uur later ontwikkelt zich heftige spier- en
gewrichtspijn, die pas na 24 uur verdwijnt. Welk van de volgende mechanismen is de meest
waarschijnlijke oorzaak van deze symptomen?
1.
Een stikstof embolie in het weefsel.
2.
Systemische vasocontractie.
3.
Uitgebreide intravasculaire stolling.
4.
Veneuze trombose.
11
Vraag 58
Een vrouw van 85 jaar heeft al een week last van een gezwollen linkerbeen. Als de dokter op haar
been klopt doet dit geen pijn. Een vaatonderzoek met behulp van contrastvloeistof laat een diepe
veneuze trombose zien. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak hiervan?
1.
Een hoog eiwitgehalte in het bloed.
2.
Endotheliale productie van prostaglandinen.
3.
Gebrek aan mobiliteit.
4.
Turbulenties in de veneuze bloedstroom.
Vraag 59
Welke van onderstaande geneesmiddelen wordt in de acute behandeling van een veneuze trombose
toegepast om aangroei van een trombus tegen te gaan?
1.
Acenocoumarol.
2.
Acetylsalicylzuur.
3.
Clopidogrel.
4.
Heparine.
Vraag 60
Bestudeer het microscopisch beeld van afbeelding 19. Dit- is een bloedvat waarin· rekanalisatie is
opgetreden. De stromingsweerstand in een bloedvat (R) is afhankelijk van de viscositeit van het bloed
(IJ), de lengte van het vat (L) en de straal van het lumen van het bloedvat (r). Dit wordt weergegeven in
de volgende formule:
R = 8rj L
7fr4
Op basis van deze informatie kan geconcludeerd worden dat de perfusie van de weefsels via dit
bloedvat
1.
gelijk is gebleven.
2.
sterk fluctueerde.
3.
was afgenomen.
4.
was toegenomen.
Vraag 61
Behandeling met welke stof bevordert de contractiekracht van de hartspier?
1.
ACE-remmer.
2.
Digitalis.
3.
Diureticum.
4.
Renine.
Casus bij vraag 62 tot en met 63
Patiënt A, een gezonde 21-jarige man, werd via de afdeling Eerste Hulp in het ziekenhuis opgenomen,
nadat hij bij een motorongeval een deceleratietrauma had ondergaan, waarbij hij met de bovenste
linker thoraxhelft tegen een boom was geslagen. Na een korte periode van bewusteloosheid direct na
het ongeval was de man bij opname weer aanspreekbaar. Hij verkeerde in een stabiele toestand wat de
bloedsomloop betrof. Echter, het angiogram van de thoracale aorta toonde een uitholling (zie
afbeelding 20). Nader onderzoek bracht een gedeeltelijke ruptuur van de aortawand aan het licht. Een
angiogram is een afbeeldingtechniek waarbij het hart en de bloedvaten met behulp van
contrastvloeistof op een röntgenfoto zichtbaar gemaakt kunnen worden.
12
Vraag 62
Welk proces veroorzaakt de uitholling? De aanwezigheid van een:
1.
false aneurysma.
2.
georganiseerde thrombus.
3.
true aneurysma.
4.
verse thrombus.
Vraag 63
Wanneer de ruptuur volledig was geweest had patiënt A in een shock kunnen geraken. Hoe wordt dit
type shock genoemd?
1.
Anafylactische shock.
2.
Cardiogene shock.
3.
Hypovolemische shock.
4.
Septische shock.
Thema: Oncologie
Vraag 64
Wat wordt bedoeld met het begrip dormante metastase? Een metastase
1.
die niet uitgegroeid is tot een diagnosticeerbare tumorhaard.
2.
die zich klinisch gedraagt als normaallichaamseigen weefsel.
3.
waarbij de primaire tumor niet gediagnosticeerd werd.
Kenmerk
Begrenzing
Groeiwijze
Necrose
Cel/kematyp ie
Mitotische activiteit
Differentiatie
Tabel1 .
Benigne
Scherp
Expansief
Zelden
Gering
Gering
Maligne
Onscherp
luvasief
Frequent
Sterk
Hoog
Vraag 65
Tabel 1 benoemt enkele belangrijke verschillen tussen benigne en maligne tumoren. Welke kenmerk
moet bij de categorie 'differentiatie' voor maligne tumoren worden ingevuld?
1.
Geringe mate van differentiatie.
2.
Sterke mate van differentiatie.
Vraag 66
Wat verstaat men in de pathologie onder "pleiomorfie" van tumorcellen?
1.
Het veelvuldig voorkomen van delingsfiguren.
2.
Variatie in grootte en vorm van de tumorcellen en hun kernen.
3.
Variatie in het differentiatietype van de tumorcellen.
4.
Verschillen tussen de cellen van de primaire tumor en die van de metastasen.
13
Vraag 67
Voor de patholoog is het van groot belang om het weefseltype te identificeren van waaruit de tumor is
ontstaan. Dit heeft namelijk consequenties voor de keuze van behandeling. De patholoog moet ook
kunnen uitsluiten of de tumor geen metastase betreft afkomstig van een primair gezwel elders in het
lichaam. Bestudeer het microscopisch beeld uit afbeelding 21 en identificeer het weefseltype:
1.
Collageenrijk bindweefsel.
2.
Leverweefsel.
3.
Meeriagig plaveiselepitheeL
4.
Tubulusepitheel van de nier.
Vraag 68
Kies uit de onderstaande opties het meest volledige en geheel juiste antwoord. Tumoren in de lever
kunnen ontstaan via de volgende metastaseringspatronen:
1.
vena cava-type en vena pulmonalis-type.
2.
vena cava-type, vena portae-type en vena pulmonalis-type.
3.
vena portae-type en vena pulmonalis-type.
Vraag 69
Welk microscopisch beeld uit afbeelding 22 toont maligne ontaarde cellen?
1.
Afbeelding A.
2.
Afbeelding B.
3.
Afbeelding C.
Vraag 70
Afbeelding 23 toont de regulatie van de G 1/S fase-transitie in de celcyclus. Gebaseerd op deze figuur
heeft een verhoogde expressie van de Ink4 eiwitten in de cellen van het cervixcarcinoom:
1.
alleen een significante functie in de G liS fase-transitie wanneer Cdk2 of Cycline E
gemuteerd zijn.
2.
alleen een significante functie in de Gl/S fase-transitie wanneer p21 en p27 gemuteerd zijn.
3.
een significante functie in de G liS fase-transitie.
4.
geen significante functie in de G liS fase-transitie.
Vraag 71
Afbeelding 24 toont de buitenzijde van de lip. Welk weefsel wordt er aangeduid met cijfer 1?
1.
Dermis.
2.
Lamina basalis.
3.
Larnina propria.
4.
Subcutis.
Vraag 72
Bestudeer afbeelding 24. Welk weefsel wordt er aangeduid met cijfer 2?
1.
Haarfollikel.
2.
Speekselklier.
3.
Talgklier.
4.
Zweetklier.
Vraag 73
Bestudeer afbeelding 24. Wanneer er een maligne tumor ontstaat uit het weefsel aangeduid met de
letter X, wordt deze geclassificeerd als een:
1.
Adenocarcinoom.
2.
Epithelioom.
3.
Papilloom.
4.
Plaveiselcelcarcinoom.
14
Vraag 74
Bij een man van 54 jaar met een chronische hoest wordt een plaveiselcelcarcinoom gediagnosticeerd
in zijn rechter long. Tijdens de operatie waarbij dit deel van de long wordt verwijderd, merkt de
thoraxchirurg op dat de locale lymfeklieren klein zijn, 0.5 tot 1.0 cm doorsnede, en egaal zwart van
kleur. Wat heeft de zwarte verkleuring van het weefsel veroorzaakt?
1.
Anthracotisch pigment.
2.
Hemosiderose.
3.
Melanine accumulatie.
4.
Necrose met pyknotische kernen.
Casus bij Vraag 75 tot en met 78
Patiënt X wordt gediagnosticeerd met het Li-Fraumeni syndroom. Het Li-Fraumeni syndroom is een
zeer zeldzame, erfelijke aandoening. Bij deze aandoening kunnen op verschillende plaatsen in het
lichaam maligniteiten ontstaan. Patiënten met deze ziekte krijgen vaak al op zeer jonge leeftijd
maligne tumoren, meestal al voor het 45e levensjaar. De tumoren kunnen in principe overal ontstaan,
echter tumoren van de borst, het beenmerg (leukemie), de huid, de dikke darm en de hersenen komen
het meeste voor. Het Li-Fraumeni syndroom ontstaat door een mutatie in het P53-gen.
Bij patiënt X wordt in de dikke darm een maligniteit aangetroffen. Van de laesie wordt een
biopt genomen; zie onderstaand microscopisch beeld in afbeelding 25. Het weefsel is hierbij gekleurd
met een antilichaam tegen het P53-eiwit.
Vraag 75
Welk tumortype is zichtbaar in het biopt van patiënt X?
1.
Een adenocarcinoom.
2.
Een adenosarcoom.
3.
Een melanoom.
4.
Een plaveiselcelcarcinoom.
Vraag 76
Welke informatie geeft de immuunhistochemische kleuring van het biopt? Er is sprake van:
1.
aanwezigheid van het p53-eiwit.
2.
een verhoogde activiteit van het p53-eiwit.
3.
inactiviteit van het p53-eiwit.
Vraag 77
Bestudeer de casus. Waarom hebben patiënten met het Li-Fraumeni syndroom een verhoogde kans op
de ontwikkeling van tumoren op jonge leeftijd? Omdat volgens de Koudsouhypothese de kans groter
is dat:
beide allelen van 1 gen op de verschillende chromosomen gemuteerd raken.
1.
mutaties zich ophopen omdat cellen niet meer in apoptose kunnen gaan.
2.
mutaties zich ophopen omdat DNA-schade niet meer gerepareerd wordt.
3.
Vraag 78
Eén van de functies van het p53 eiwit is het:
1.
bevorderen van passage door het G 1 restrictiepunt van de celcyclus.
2.
induceren van apoptose.
3.
induceren van necrose.
4.
initiëren van een cytotoxische T -cel respons.
15