Radboudwffiffi
Faculteit der
Medische
Wetenschappen
Bloktoets
Datum
Aanvang
5O101 Girculatie en Respiratie I
28 maart2014
10.00 uur
Deze tentamenset kunt u na afloop meenemen
ALGEMENE AANWIJZINGEN EN INSTRUCTIE
.
.
.
.
.
.
.
Dit tentamen bestaat uit 82 meerkeuzevragen.
De beschikbare tijd voor het gehele tentamen is 2 uur.
Controleer of uw tentamenset compleet is.
Vermeld op het antwoordformulier duidelijk uw naam en studentnummer.
Bij iedere vraag is slechts één alternatief het juiste of het beste.
U geeft het naar uw mening juiste antwoord aan door het cHFER voor het betreffende alternatief te
omcirkelen.
Vragen waar u door tijdnood niet aan toekomt, laat u onbeantwoord. Acht u alle alternatieven, na
zorgvuldige bestudering, even juist, dan moet u de vraag niet beantwoorden. Kunt u één of
meerdere alternatieven elimineren, dan moet u de vraag wel beantwoorden.
Wanneer u het tentamen beeindigd hebt, dient u uw antwoorden (dus de omcirkelde glJ¡g3g)
zorgvuldig over te brengen op het antwoordformulier, gebruik daarvoor een [email protected] Corrigeer
fouten met eum. Verwijder gumresten zorgvuldig van uw antwoordformulier.
.
.
.
.
.
.
Als u een vraag wilt open laten vult u het hokje boven het vraagteken "?" in.
De op het antwoordformulier ingevulde antwoorden worden beschouwd als uw definitieve
antwoorden, ongeacht uw omcirkelingen in uw toetsboekje.
Meer dan één ingevuld antwoord per vraag wordt als blanco geÏnterpreteerd.
Schrijf niet buiten de invulvelden van het antwoordformulier.
Het gebruik van alle audiovisuele en technische hulpmiddelen is niet toegestaan, tenzij expliciet
vermeld elders op dit voorblad. Mocht u dergelijke apparatuur toch gebruiken, dan zal dit als
fraude worden aangemerkt. Op uw tafel mogen uw studenten- en registratiekaart en los
schrijfmateriaal liggen. Etui's moeten van tafel.
A/s u uw antwoordformulier vlekt, vouwt, beschadigt of de invulinsfrucfres negeeft kan het niet
correctworden verwerkt. Vraag de surveillant in dergelijke gevallen om een nieuw blanco
antwoordformulier! lndien u dit verzuimt zijn de gevolgen daaruan voor uw rekening.
.
De vragen worden als volgt gescoord
antwoorden:
Goed
2 keuze-vraag
1
3 keuze-vraag
1
4 keuze-vraag
1
5
1
Fout
-1
-%
- 1t3
-%
0
0
0
0
Punten
Punten
Punten
Punten
het antwoordformulier in. lndien u commentaar heeft op de vragen, venrijzen
Lever na
we u naar de hyperlink die is opgenomen bij uw toetsindeling in uw webdossier t.b.v. het
digitaal studentcommentaarformulier voor deze toets.
LET OP !!
ZET EERST UW NAAM EN STUDENTNUMMER OP HET ANTWOORDFORMULIER!
VEEL SUCCES!
Itoorb
lad MC/ I 0-3 -20 I 4
50l0l
Bfoktoets
Girculatie en Resplratie
|
28-03-2013
I
Pagina
van in totaal 26
BL
End
NF
Met
F
EF
PS
F
Pe
cap
P
L
PS
cap
PS
Pe
BL
cap
10 pm
R(
Tekening bij vraag 1 en vraag 2
1
Bloktoets 50101 Girculatie en Respiratle
Vraag
|
28-03-2013
Pagina 2 van in totaal 26
l.
Bestudeer de tekening, met name de capillairen (Cap).
Geef dan aan welke bewering correct is.
1. Capillairen worden omgeven door een enkele pericyt
2. Capillairen zijn volledig omgeven door en bedekt met pericyten
3. De capillair-wand is opgebouwd uit collagene vezels, elastische vezels en vasa
vasorum
4. De wand van capillairen bestaat uit de 3 lagen: intima, media en adventitia
Vraag 2.
Bestudeer opnieuw de tekening, nu met name de meta-arteriole (Met).
Geef aan welke bewering over het endotheel (End) van de meta-arteriole correct is.
Endotheel:
1. activeert angiotensine I tot angiotensine ll, wat leidt tot vasoconstrictie
2. produceert endotheline voor de relaxatie van de gladde spieren
3. produceert stikstof-oxide NO voor de contractie van de gladde spieren
4. zorgt alleen voor de bedekking van de binnenkant van het bloedvat
Vraag 3.
Het hart is opgebouwd uit verschillende lagen, met specifieke weefsels en structuren
Uit welke weefsels en structuren is het epicard opgebouwd?
1. Bindweefsel en bloedvaten
2. Dwarsgestreepte hartspiercellen en kraakbeenweefsel
3. Endotheelweefsel en zenuwbanen
4. Gemodificeerde Purkinje vezels en meerlagig epitheelweefsel
Vraag 4.
Door de hierboven schematisch weergegeven capillair stroomt:
1. bloed
2. lymfe
2
Bloktoets
5Ol0l Glrculatie
en Resplratle
I
28-03-2013
Pagina 3 van ln totaal 26
Vraag 5.
Er bevinden zich twee parallel geschakelde capillaire bedden in de achterpoot van
een knaagdier die vanuit een gezamenlijke hoofdarterie worden voozien van bloed
ln één van de twee vaatbedden wordt experimenteel artherosclerose geïnduceerd.
De systemische bloeddruk blijft gelijk in de achterpoot van dit proefdier.
De doorbloeding van de hoofdarterie zal:
1. afnemen
2. gelijk blijven
3. toenemen
Vraag 6.
De lymfevloeistof onderscheidt zich in samenstelling van bloedplasma doordat het:
1. een lagere osmolariteit heeft
2. een vrijwel celvrije vloeistof is
3. geen eiwitten bevat
Vraag 7.
De diverse typen bloedvaten zijn verschillend gebouwd. Welk type bloedvaten heeft
de dikste tunica media?
Dat zijn de:
1. arteriën
2. capillairen
3. venes
Vraag 8.
160
Tijdens een experiment worden van een
geÏsoleerde arterie via een chemische behandeling
selectief de collageenfibers venvijderd (zie figuur).
Bij verwijdering van deze collageenvezels zal de
engte-span n ngscu rve als volgt verschu iven :
1. van curve A naar curve B
2. van curve A naar curve C
3. van curve B naar curve A
4. van curye B naar curve C
I
i
Vraag 9.
De wandspanning verschilt per type bloedvat.
De wandspanning is het grootst in:
1. arteriolen
2. capillairen
3. de aorta
4. de vena cava
A
120
B
Tension
(dynes/
B0
cm x 103)
40
c
100
120
140
Vraag 10.
Wanneer de compliantie van de aorta afneemt, zal bij gelijkblijvende hartfrequentie
en hartminuutvolume in het arteriële stelsel een stijging optreden van de:
1. diastolische druk
2. gemiddelde bloeddruk
3. polsdruk
3
'160
Relalive radius (%)
180
Bloktoets 5O101 Girculatie en Resplratle
I
28-03-2013
Pagina 4 van in totaal 26
Vraag I l.
Welke van de hieronder genoemde factoren is NIET van belang voor de afuoer van
lymfe?
1. centrale veneuze druk
2. gemiddelde arteriële bloeddruk
3. interstitiële druk
Vraag 12.
Van het lymfevatenstelsel kan worden gezegd dat het:
begint in de venen met een specifieke bourw
2. onmisbaar is voor de afuoer van glucose uit het interstitium
3. per etmaal - 2-3liter vocht vervoert
4. zorgtvoor de afuoer van al het, uit de bloedcapillairen lekkende, water
L
Vraag 13.
Stelling: "Hoe groter het bloedvat, hoe hoger de bloeddruk erin"
Deze stelling is:
juist
2. onjuist
L
Vraag 14.
Welk van onderstaande situaties leidt tot oedeem?
1. arteriële vasoconstrictie
2. verhoogde arteriële bloeddruk
3. veneuze afsluiting
Vraag 15.
Het totale bloedvolume van een gezonde volwassen man bedraagt circa 5 L.
Het meeste bloed bevindt zich hierbij in de:
1. huid
2. longcirculatie
3. venen
Vraag 16.
Van de verschillende bloedcompartimenten is de bloedstroomsnelheid het laagst in
de capillairen.
Dat is zo, omdat ...
1. capillairen de kleinste diameter hebben, en dus de grootste stromingsweerstand
2. de totale doorsnede van alle capillairen bij elkaar opgeteld, het grootst is
3. het aantal capillairen het grootst is ten opzichte van de andere bloedvaten
Vraag 17.
Welk type ionkanaal is verantwoordelijk voor de snelle depolarisatiefase in de
pacemakercellen van de sinusknoop?
Ca2* kanalen
2. K* kanalen
3. Na* kanalen
L
4
Bloktoets
5Ol0l Girculatie
en Resplratie
I
28-03-2013
Pagina 5 van ln totaal 26
Vraag 18.
De sinusknoop staat onder invloed van de nervus vagus. Wat voor effect heeft
stimulatie van de nervus vagus op de pacemakercellen van de sinusknoop?
1. De rustpotentiaal wordt hoger en de drempelpotentiaal hoger
2. De rustpotentiaal wordt hoger en de drempelpotentiaal lager
3. De rustpotentiaal wordt lager en de drempelpotentiaal hoger
4. De rustpotentiaal wordt lager en de drempelpotentiaal lager
Vraag 19.
Bij een gezonde jongeman wordt een ECG gemaakt maar per abuis worden de twee
armelektroden verwisseld. ln welke afleiding verandert het QRS-complex van positief
naar negatief?
1. aVF
2.
1
3. v1
4. v6
Vraag 20.
Bij een patiënt is een beschadiging van de AV-knoop opgetreden waardoor de
prikkelgeleiding daar trager verloopt. Hoe is dit in het ECG terug te zien?
Dit zie je door een:
1. bredere P top
2. verlengde PQ-tijd
3. verbreed QRS complex
4. verlengde QT-t¡jd
Vraag 21.
Mevrouw Janssen heeft door een acuut reuma in haar
jeugd een ernstige mitralisklepstenose (vernauwing).
Dit heeft tot gevolg dat een geruis te horen is als er
bloed door de klep stroomt. Tijdens welk traject in
nevenstaande druk-volumecurve is de ruis te horen
met een stethoscoop?
.Y
I B
L
=
2 E
E
3
G
4
I
õ
¡l
I
c
o
o
.Y
f,
B
c
Linker ventrikel volume
Bfoktoets
50l0l
Glrculatle en Respiratie
I
28-03-2013
Paglna 6 van in totaal 26
Yraag 22.
s4
53
lt
1t
t
52
s1
Hierboven ziet u schematisch de twee harttonen (S1 en 52) weergegeven. ln
bepaalde situaties kan er bij auscultatie echter ook een derde en een vierde toon
worden gehoord. Welke gebeurtenis leidt tot de derde harttoon (S3)?
1. 53: extra vulling ventrikel door atriumcontractie.
2. 53: snelle vroege vulling van het ventrikel.
3. 53: snelle vulling van het linker atrium.
Vraag 23.
A
R
P
os
B
P
P
ln de bovenstaande afbeelding ziet u een normaal ECG (A) en een afwijkend ECG
(B). Welk type AV-blok is te zien in ECG (B)?
Dat is een:
1. eerstegraads AV-blok
2. tweedegraads AV-blok, type Wenckebach/Mobitz I
3. tweedegraads AV-blok, type Mobitz ll
4. derdegraads AV-blok
Yraag 24.
Welke bewering over de bloeddruk in de coronairarteriën is juist?
Tijdens de systole neemt de bloeddruk in de coronairarteriën:
1. at
2. meer toe dan tijdens de diastole
3. minder toe dan tijdens de diastole
Vraag 25.
Welke factor heeft de grootste invloed op de ejectiefractie van de linker ventrikel?
1. De contractiliteit van de ventrikelwand
2. De hartfrequentie
3. Het einddiastolische volume
6
Bloktoets
50l0l
Girculatle en Resplratie
I
28-03-2013
Pagina 7 van in totaal 26
Vraag 26.
Een7 -jarige man wordt
binnengebracht op de spoedeisende hulpafdeling. Hij is
onwel geworden tijdens een wandeling. Er wordt o.a. een ECG gemaakt waarop Ptoppen en QRS complexen zichtbaar zyn. Opvallend is dat er een totale dissociatie is
tussen P-toppen en QRS complexen. Dat wil zeggen dat de relatie tussen P-top en
QRS complex niet aanwezig is. Er is een trage hartfrequentie. Als diagnose wordt
hierbij overwogen een totale blokkade van de geleiding ter hoogte van de:
1. AV knoop
2. linker bundel van His
3. Purkinjevezels
Yraag 27.
ln een drukvolumecurve wordt de relatie tussen volume (X-as) en druk (Y-as) in het
ventrikel tijdens een hartcyclus weergegeven.
ll
(]
Ð
Wat gebeurt er met de punten C en D als er sprake
ït
is van plotselinge hypertensie?
H
1. Punt C en D verschuiven naar links in het figuur õ
JI
2. Punt C en D verschuiven naar rechts in het figuur c
o
3. Punt C verandert niet van positie en punt D
verschuift naar boven in het figuur
o
4. Punt C verschuift naar boven en punt D verandert .=5
niet van positie in het figuur
E
s
Linker ventrikel volume
Vraag 28.
De ejectiefractie is het gedeelte (fractie) van het einddiastolische ventrikelvolume dat
per hartslag wordt uitgestoten. Brj linkerventrikel hypertrofie neemt de ejectiefractie af
door een:
1. afname van het einddiastolische volume.
2. toename van het eindsystolische volume.
Vraag 29.
Preload en afterload zijn belangrijke begrippen in de fysiologie van het hart. Beide
duiden een bepaalde eigenschap van de hartspier aan. Welke term beschrijft het
meest nauwkeurig deze eigenschap? Dat is
1. Cardiac output
2. lntraventriculaire druk
3. lntraventriculairvolume
4. Ventriculaire wandspanning
7
Bfoktoets 50101 Glrculatle en Respiratle
|
28-0t-2013
Paglna
I
van in totaal 26
Vraag 30.
Het hart van een volwassen giraf weegt ongeveer 11 kg en is 60 cm lang. Om de
hersenen van een giraf van bloed te voorzien moet een veel hogere bloeddruk
worden gegenereerd door dit hart dan bij andere, kleinere zoogdieren. De
ventrikelwand van het giraf hart is relatief dik. Welk gevolg zal deze verdikking
hebben voor de hartfrequentie? De hartfrequentie zal:
1. hoger worden
2. lager worden
3. niet veranderen
Vraag 31.
Aan een proefdier wordt een positief inotroop farmacon toegediend. Wat zal er dan
gebeuren met de einddiastolische druk als de cardiac output gelijk blijft?
Deze zal:
1. Dalen
2. Gelijk blijven
3. Stijgen
Vraag 32.
Bij de proef van Valsalva treedt bij een normale proefpersoon tijdens het blazen een
bloeddrukdaling op. Deze daling wordt veroorzaakt door een afname van de:
1. afterload
2. contractiliteit
3. perifere weerstand
4. preload
Vraag 33.
Bij de proef van Valsalva treedt na het stoppen van het blazen bij normale
proefpersonen een kortdurende bloeddrukstijging op die hoger is dan de bloeddruk
vóór de proef ('overshoot'). Deze stijging is añruezig bij een bepaalde afwijking van
het autonoom zenuwstelsel. Welk deel is in dat geval uitgevallen? Dat is de:
1. nervus vagus
2. parasympaticus
3. sympaticus
8
Bloktoets
50l0l
Glrculatle en Resplratie
I
28-03-2013
Paglna 9 van ln totaal 26
Vraag 34.
te0
flepletlon
Loading
!t0
s0
60
40
2A
0
*2t
-40
*6t
*80
*3ö *2t *10 0
10
2t
3û
Ch*nge in elfective
circulat*ng volurne
{mukç)
Bovenstaande grafiek geeft het effect van het bloedvolume op de cardiac output
weer. De verhoogde hartslag bij een plotselinge toename in bloedvolume wordt
veroorzaakt door de:
1. baroreflex
2. reflex van Bainbridge
3. de Hering-Breuer-reflex
Vraag 35.
Welke hersenzenuw verzorgt afferente innervatie van de baroreflex?
Dat is de nervus:
1. accessorius
2. vagus
3. glossopharyngeus
4. hypoglossus
I
Bloktoets 5O101 Girculatie en Resplratie
I
28-03-2013
Paglna
l0 van in totaal 26
Vraag 36.
Aan een proefdier wordt een vasodilaterende stof toegediend. Dit verandert de
vaatfunctiecurve in dit proefdier. Welke verandering van deze curve past bij
vasodilatatie? Dat is:
1. draaiing om het snijpunt van de curye met de x-as, met de klok mee
2. draaiing om het snijpunt van de curve met de x-as, tegen de klok in
3. parallelle verschuiving van de curve naar links
4. parallelle verschuiving van de curve naar rechts
II
I
Tekening bij vraag 37, vraag 38 en vraag 39
10
Bloktoets
5Ol0l Girculatie
en Respiratie
I
28-03-2013
Pagina
ll
van in totaal 26
Vraag 37.
Bestudeer de tekening, en let op de verschillende wand-structuren die de wand
vormen tussen de ruimtes aangeduid met "A".
Geef aan welke bewering over de wand-structuren correct is.
1. De capillairen (Cap) vormen met hun endotheel (E) twee keer een bloed-gasbarrière in elke tussenwand
2. De gladde spieren (SMC) aan de rand van de tussenwand hebben als functie het
dichtknijpen van de ruimtes aangeduid met "A"
3. De wand bestaat voornamelijk uit collagene vezels (CF) en bevat slechts weinig
elastische vezels (EF)
4. De wandvezels (EF, CF) worden gevormd door de fibroblast (F), en vervolgens
opgegeten door de interstitiële macrofagen (M)
Vraag 38.
Bestudeer nu ruimte A in de tekening, en met name de typen cellen die ruimte A
bedekken.
Welke type cellen bedekken de ruimte A?
1. Cellen van het "Respiratoir epitheel", inclusief slijmbekercellen
2. Cylindrische trilhaar-epitheelcellen, met slijmbekercellen
3. Kubische epitheelcellen zonder trilharen, maar met korte microvilli
4. Uitgestrekte platte epitheelcellen, met af en toe een kubische epitheelcel ertussen
Vraag 39.
Bestudeer nogmaals de tekening, nu met name cel AC ll die meerdere keren
afgebeeld is. Welke bewering over cel AC ll is NIET correct ?
De cel AC ll:
1. bevat zebra-bodies met het "surfactant" dat via exocytose wordt afgegeven aan
het oppervlak van de bedekkende cellen in ruimte A
2. is even groot als cel AM, en heeft een vergelijkbare functie als cel AM
3. produceert een surfactant product dat zorgt voor betere zuurstof opname en
verlaagt de oppervlaktespanning van de bedekkende cellen in ruimte A
4. wordt ook wel pneumocyt ll genoemd
Vraag 40.
Bovenstaande figuur is een schematische weergave van diverse pulmonale drukken
Welke fase van de ademhaling is hier weergegeven?
1. Eind-expiratoir
2. Eind-inspiratoir
3. Mid-expiratoir
4. Mid-inspiratoir
11
Bfoktoets
50l0l
Glrculatle en Resplratle
|
28-03-2013 Paglna
12 van ln totaal 26
Vraag 41.
De longen zijn verdeeld in lobben, zowel in de linker als in de rechterlong.
De massa van de linkerlong is ten opzichte van de totale longmassa:
1. meerdan 50%
2. minder dan 50%
3. precies 50%
Yraag 42
Bð
B
Ë{)
A
;{t
c
åü
\J
*
ã'*
8ú
ItxÌ
Bovenstaande afbeelding geeft een dissociatiecurve van Hb-O2 weer. Een
verschuiving van Curve A naar Curve C zal plaatsvinden bij een:
1. verhoging van de PCOz
2. verlaging van de pH
3. verlaging van de temperatuur
12
Bloktoets
5Ol0l Girculatle
en Respiratle
I
28-03-2013
Pagina
l3 van ln totaal 26
Vraag 43.
öÐ*
A
B
t1('
-
*
fr#1t1214
Àin?¡ty
ft ûn
18 18 7*
a
ûrãìtrg1 nurlrl)*r
ln het bovenstaande figuur kan het oppervlak van de luchtwegen afgelezen worden
bij elke willekeurige generatie van luchtwegvertakkingen.
Welke lijn geeft deze relatie weer? Dat is lijn:
1.4
2.8
Yraag 44.
De luchtwegen bestaan uit een geleidend- en een gaswisselingsdeel. Door de
specifieke bouw van de bronchiaalboom vindt geleiding in bepaalde delen en
gaswisseling in andere delen van de luchtwegen plaats. Wat is kenmerkend voor de
bouw van de luchtwegen?
Dieper in de luchtwegen neemt de totale diameter van de luchtwegen:
1. af, waardoor de stroomsnelheid van lucht in de lagere luchtwegen juist toeneemt.
2. toe, waardoor de stroomsnelheid van lucht in de lagere luchtwegen afneemt.
3. toe, waardoor de stroomsnelheid van lucht in de lagere luchtwegen ook
toeneemt.
Vraag 45.
De longen hebben een dubbele bloedsomloop. Eén ten behoeve van de
gaswisseling en één om het longweefsel zelf van bloed te voorzien.
Waar in de bloedsomloop van de longen bevindt zich de hoogste POz?
ln de:
1. Bronchiale arteriën
2. Bronchiale venen
3. Pulmonale arteriën
4. Pulmonale venen
Vraag 46.
Stelling: "Met behulp van een stethoscoop kan een geoefend arts een indruk krijgen
van de weerstand die de pleurabladen ondervinden tijdens ademhaling".
Deze stelling is:
juist
2. onjuist
L
13
I
Bloktoets 5O101 Girculatie en Respiratie
28-03-2013
Paglna 14 van in totaal 26
Figuur bii vraag 47 en 48
Onderstaande figuur uit Boron en Boulpaep schetst de statische druk-volume curyes
voor: 1 gezonde persoon (Normal) en 2 patiënten (A en B) met een longziekte.
4
A
hlürrl8l
¡)
?
g
û,Ji
'1
¡{v
,¿
û
ryn
li
,!i *t*
*2t
tHj
þraå$ur€
icntT42Ç)
Yraag 47.
Welke druk (P) hoort er op de x-as van deze druk-volume curve te staan?
Welke druk speelt een rol in de compliantie van de long? Dat is:
Oñryel:
1'Pn
2. Pnw
3. Prp
4. Prp
Vraag 48.
Ga opnieuw naar bovenstaande druk volume curves van drie verschillende
personen. De curve aangeduid met "A" is van een patiënt met:
1. Emfyseem, omdat de curve een verhoogde compliantie van de longen laat zien
2. Emfyseem, omdat de curve een verhoogde elasticiteit van de longen laat zien.
3. Fibrose, omdat de curve een verhoogde compliantie van de longen laat zien.
4. Fibrose, omdat de curve een verhoogde elasticiteit van de longen laat zien.
Bekijk onderstaande figuur uit Boron en Boulpaep.
a
â
4p
dr
b
.l
65
*7
-7.5
c
14
Bloktoets 5O101 Glrculatle en Resplratle
I
28-03-2013
Paglna
l5 van ln totaal
Vraag 49.
Er wordt in de figuur uit Boron en Boulpaep een ademhalingscyclus weergegeven
waarin wordt aangegeven hoe de Plp eIì Prp veranderen tijdens in- en uitademing
op welk punt in de ademhalingscyclus bevindt zich punt b uit deze figuur?
1. ln de "pat)ze" tussen in- en uitademing
2. Tijdens inademing
3. Tijdens uitademing
Vraag 50.
Bestudeer opnieuw bovenstaande figuur uit Boron en Boulpaep
Op punt b is de Prp 6.25 cm HzO en de Prp -6.75 cm HzO.
Wat is op dit moment b de druk in de alveoli (Pn)? Die is:
1. -0.50 cm HzO
-0.25 cm HzO
0.25 cm HzO
0.50 cm HzO
2.
3.
4.
Vraag 51.
Panel A geeft de activiteit van de nervus frenicus weer. Panel B geeft hierbij de
activiteit weer van een:
inspiratoir neuron
expiratoir neuron
1.
2.
A
B
15
26
50l0l
Bloktoets
Glrculatle en Resplratie
|
28-03-2013
Paglna
l6 van in totaal
Vraag 52.
Naast het spirogram is de flow-volume curve de meest gebruikte weergave van de
longfunctie.
Flow Volumr
E
t
ë
q
_1
Ël
Èl
e-
"l
Yol¡lü lf..óË:
+
9
*
t
?
Hierboven is een voorbeeld van een flow-volume curye weergegeven.
Welk longvolume of welke longcapaciteit geeft de pijl bij het vraagteken (?) weer?
Dat is heUde:
f
inspiratoire capaciteit (lC)
2. inspiratoire reserve volume (lRV)
3. teugvolume (\ff)
4. vitale capaciteit (VC)
.
16
26
Bloktoets 50101 Glrculatie en Resplratle
I
28-03-2013 Paglna
17 van in totaal 26
Casus bii vraaq 53 en 54
Via haar huisarts wordt mevr. Peters (55 jaar) verwezen naar de longarts.
Anamnestisch geeft ze aan last te hebben van toenemende hoestklachten en vaak
te ru g kerende uchtweg i nfecties. Lon gfu nctieonderzoek geeft onderstaa nde u itslag :
I
Normaalwaarde
VC (L)
ERV (L)
IRV (L)
FRC (L)
RV (L)
TLC (L)
FEVI (L)
FEVIA/C (%)
3,05
0,80
1,35
2,88
2,08
5,46
2,58
Gemeten
waarde
2,50
A
1 ,10
3,80
3,00
5,50
1,46
59
B4
Vraag 53.
Wat is de waarde van het gemeten expiratoir reserve volume (ERV) welke in
bovenstaande tabel met de letter A wordt aangegeven? Dat is:
1. 0 ,80 L
2. 1 ,30 L
3. 1 ,70 L
4. 1 ,90 L
Vraag 54.
Bij het beoordelen van longfunctie-uitslagen maken we onderscheid in restrictief en
obstructief longlijden. ls er bij mevr. Peters sprake van obstructief longlijden?
1.
2.
Ja
Nee
17
Bloktoets
5Ol0l Girculatie
en Respiratle
I
28-03-2013
Pagina
l8 van in totaal 26
Geqevens voor vraaq 55 en 56
Met behulp van een spirometer zijn enkele statische longvolumes van een persoon
gemeten:
Vitale capaciteit (VC): aL
Expiratoir reserve volume (ERV): 1L
Men wil echter ook de totale longcapaciteit (TLC) van de persoon weten.
Dit wordt bepaald met behulp van de plethysmograaf, (zie afbeelding hieronder).
De longfunctieanalist vraagt de persoon om rustig in en uit te ademen. Direct na een
rustige uitademing (op t=0) wordt de box afgesloten en het volume en de druk in de
box gemeten, zie de registratie rechts.
drukmeter
sluiter
buitenlucht
box
O
Ë
:5L'
(1t
o*
ll
J(
)
cl
F" !F
lJ
spirometer
à3
1
t=0
à
1)
,1 lr ti
:.: ,,t
rijd (s)
Vraag 55.
Bereken met behulp van deze registratie en bovengenoemde waarden de TLC van
deze persoon.
De TLC is:
1.
2.
3.
4.
4L
5L
6L
7L
Vraag 56.
COz lost op in water.
De totale hoeveelheid in water opgeloste COz :
1. hangt af van de dampdruk bij de gegeven temperatuur
2. hangt mede af van hoeveel bicarbonaat er wordt gevormd
3. wordt bepaald door de wet van Henri
18
Bfoktoets
50l0l
Girculatie en Resplratle
I
28-03-2013
Paglna
l9 van ln totaal
26
Vraag 57.
Een verder gezond persoon, die zich in Nederland bevindt, heeft tijdelijk minder
hemoglobine in zijn bloed (anemie, bloedarmoede). Welke uitspraak over deze
situatie is correct?
Ten opzichte van de situatie zonder bloedarmoede is de:
1. arteriële PO2 lager
2. arteriële zuurstofsaturatie lager
3. zuurstofconcentratie lager
Vraag 58.
ls een linksverschuiving van de zuurstofsaturatiecurve gunstig of ongunstig voor de
afgifte van zuurstof in de weefsels?
1. gunstig
2. ongunstig
Vraag 59.
Het enzym carbo-anhydrase helpt CO2 op te lossen in water door het om te zetten in
bicarbonaat. Waar bevindt zich dit enzym?
Het carbo-anhydrase bevindt zich in de:
1. alveoli
2. erytrocyten
3. wand van de longbloedvaten
Vraag 60.
COz wordt o.a. gebufferd door eiwitten onder de vorming van carbaminaten.
ls er een verschil in grootte van de buffercapaciteit voor COz tussen arterieel bloed
en veneus bloed?
1. Ja, de arteriële buffercapaciteit is groter dan de veneuze buffercapaciteit
2. Ja, de arteriële buffercapaciteit is kleiner dan de veneuze buffercapaciteit
3. Neen, beide buffercapaciteiten zijn gelijk.
Vraag 61.
Het diffusieproces van zuurstof over de alveolo-capillaire membraan bereikt in rust
zijn evenwicht nadat het bloed ca.113 van het longcapillair heeft gepasseerd.
Heeft een verlaging van het hemoglobinegehalte invloed op dit proces?
Bij een lager hemoglobinegehalte zal:
1. het evenwicht later worden bereikt
2. het evenwicht sneller worden bereikt
3. er niets aan deze situatie veranderen
19
Bloktoets
5Ol0l Circulatle
en Resplratie
I
28-03-2013
Pagina 20 van in totaal 26
Vraag 62.
ln onderstaande figuur zijn afgebeeld het verloop van de alveolaire POz en PCOz.
lemand bevindt zich links van de normaalwaarden: de COz op de CO2-lijn, en de 02
onder de Oz-lijn. Hoe kan dit verklaard worden?
150
ctì
o2
e
E
o
.D
00
an
o
CL
E
(!
CL
g
50
o
o
co¿
î
0
1.0
4.0
8.0
Alveolar ventilation (Umin)
Doordat deze persoon:
1. extra COz inademt waardoor hij hyperventileert
2. hypoventileert op zeeniveau
3. zich op een berg bevindt
Vraag 63.
Vanuit de bronchiale circulatie komt er veneus bloed bij het geärterialiseerde bloed
dat uit de longen komt. Welke uitspraak hierover is correct?
1. Door te hyperventileren kan de arteriële saturatie in de aorta toch nog 100o/o
worden
2. Door 1}0o/o zuurstof te ademen in plaats van 21%o, kan de de arteriële saturatie in
de aorta toch nog 1o0o/o worden
3. Geen van beide methoden kunnen de saturatie in de aorta naar 100% krijgen
20
Bf
oktoets 5O101 Girculatle en Respiratie
I
28-03-2013
Paglna 21van in totaal 26
Vraag 64.
Bij een patiënt is er sprake van een normale PaCOz, maar een verlaagde PaOz
Wat is er met de ventilatie van deze patiënt aan de hand?
1. De patiënt heeft een normaal ademminuutvolume
2. De patiënt hyperventileert
3. De patiënt hypoventileert
Vraag 65.
Voor arterieel bloed dat zuurstofconsumerend weefsel passeert, geldt dat
1. de koolzuurspanning in het bloedplasma hoger is dan de koolzuurspanning in de
erytrocyt
2. de zuurstofspanning in het bloedplasma hoger is dan de zuurstofspanning in de
erytrocyt
3. na passage van het weefsel, de erytrocyt alle zuurstof heeft afgegeven
Vraag 66.
Stelling: "De nervus phrenicus geeft signalen van de perifere chemoreceptoren door
aan de medulla".
Deze stelling is:
1. juist
2.
onjuist
Vraag 67.
A
Activiteit van de nervus phrenicus
B
Figuur A hierboven geeft de activiteit weer van de neryus phrenicus tijdens
ademhaling. Wat geeft Figuur B weer?
Figuur B geeft weer heVde:
1. long volume
2. luchtstroom (airflow)
3. PaCOz
4. PaOz
21
Bloktoets
5Ol0l Glrculatie
en Resplratle
I
28-03-2013
Paglna 22 van in totaal 26
Vraag 68.
In deze figuur is de relatie afgebeeld tussen de activiteit van perifere chemosensoren
als functie van de arteriële COz druk. Deze relatie is afhankelijk van de pH van het
bloed. Lijn A geeft deze relatie weer voor bloed met een pH van 7,45.
?0
B
10
A
ft
Lijn B geeft de relatie weer voor bloed met een pH van:
1. 7,25
2. 7,75
Vraag 69.
In de regulatie van de ademhaling hebben we te maken met de Hering-Breuer reflex.
Stelling: "De Hering-Breuer reflex beschermt tegen collaps van de longen".
Deze stelling is:
1. Juist
2. Onjuist
Vraag 70.
Het zuur-base evenwicht kan op verschillende manieren worden verstoord
Een metabole acidose gaat gepaard met een:
1. rechtsverschuiving van de evenwichtsvergelijking
2. verhoogd PaCOz
3. verhoogde pH
4. verlaagd plasma bicarbonaat
22
Bf
oktoets
5Ol0l Girculatie
en Respiratle
|
28-03-2013
Pagina 23 van ln totaal 26
Vraag 71.
ln deze figuur is de relatie weergegeven tussen de activiteit van de carotis (carotic
body) (y-as) en de arteriële zuurstofdruk (x-as). Weergegeven is dat hypoxie de
activiteit van de carotis laat toenemen. Deze zuurstofsensitiviteit van de carotis is ook
afhankelijk van pH.
4&
t
s*
De lijnen A, B en C geven de relatie weer voor drie verschillende arteriële pH
waarden. Hierbij geeft lijn B de relatie weer bij een normale pH en lijn A geeft de
relatie weer voor een pH van:
1. 7,2
2. 7,4
3. 7,6
Vraag 72.
Bij het zien van de eerste vragen van haar tentamen, krijgt een 18-jarige studente
een acute hyperventilatie-aanval. Wat gebeurt er tijdens deze acute situatie met haar
pH? Haar bloed pH waarde:
1. blijft gelijk
2. daalt
3. stijgt
23
Bloktoets 50101 Circulatle en Respiratle
|
28-03-2013 Pagina 24 van in totaat 2G
Vraag 73.
ln dit figuur is de relatie weergegeven voor de alveolaire ventilatie (y-as) en de
concentratie H* ionen in het liquor (x-as). Het betreft de reactie van de alveolaire
ventilatie op een bepaalde pH in de liquor. De getallen op de x-as zijn niet
weergegeven.
50
40
50
?0
10
A
B
+
Concentratie
H ionen in het liquor
Stelling: "ln situatie A is de pH in het liquor hoger dan in situatie B"
Deze stelling is:
1. juist
2.
V
onjuist
raag 7 4.
Het zuur-base evenwicht kan op verschillende manieren verstoord worden. Voor
deze verstoringen heeft het lichaam ook weer een aantal compensatiemechanismen.
Een gecompenseerde respiratoire acidose verwacht je bij iemand die:
1. bicarbonaat verliest als gevolg van diarree
2. chronisch hyperventileert
3. chronische nierinsufficiëntie heeft
4. ernstig chronisch obstructief longlijden (COPD) heeft
24
Bloktoets
50l0l
Girculatle en Resplratle
|
28-03-2013
Pagina 25 van in totaal 26
Vraag 75.
Een arteriële bloedgasanalyse geeft de volgende uitslag
7.49
8 kPa
pH
PaCOz
BE2
Er is hier sprake van een:
1. gecompenseerde metabole alkalose
2. gecompenseerde respiratoire alkalose
3. ongecompenseerde metabole alkalose
4. ongecompenseerde respiratoire alkalose
Vraag 76.
Bij een RQ (respiratoir quotiënt) van 0,95 is:
1. eiwitverbranding groter dan koolhydraatverbranding
2. eiwitverbranding groter dan vetverbranding
3. koolhydraatverbranding groter dan vetverbranding
4. vetverbranding groter dan koolhydraatverbranding
Ynag 77.
Een gezonde 2O-jarige student fietst maximaal bij een inspanningstest. Het
slagvolume van deze student zal bij maximale inspanning ongeveer bedragen:
50 mL
100 mL
150 mL
1.
2.
3.
Vraag 78.
De formule voor de berekening van de MAP (mean arterial pressure) is:
1. hf x tpr
2. svxhfxtpr
3. sv x hf/ tpr
4. sv/tpr
Waarbij:
'hf ' = hartfrequentie;
'tpr' = totale perifere weerstand;
'sv' = slagvolume
25
Bfoktoets 50101 Girculatie en Respiratle
|
28-03-2013
Pagina 26 van ln totaal 26
U ziet hier een Frank Starling curve (doorgetrokken lijn)
De vragen 79-81gaan over deze Frank Starling curve.
Vraag 79.
Wat staat er in een standaard Frank Starling curve (zoals hierboven weergegeven)
op de X-as:
1. eind diastolisch volume
2. eind systolisch volume
3. mean arterial pressure
Vraag 80.
Wat staat er in een standaard Frank Starling curve (zoals hierboven weergegeven)
op de Y-as:
1. afterload
2. kracht
3. spierlengte
Vraag 81.
De gestippelde lijn in bovenstaande figuur representeert waarschijnlijk
1. een patiënt met hartfalen
2. een patiënt met een bètablokker
3. een persoon tijdens inspanning
Vraag 82.
Wanneer u bij een maximaaltest een grafiek plot met op de X-as de VOz en op de Yas de ventilatie ziet u soms ergens in de grafiek een knik, waarna de ventilatie
onevenredig hard toeneemt. Wat is hiervoor de juiste verklaring?
1. De ventilatie neemt toe ter compensatie van de toegenomen zuurstofbehoefte
van de spieren bij inspanning
2. Door het grotere aandeel van de anaerobe energielevering ontstaat er een
overschot aan COz wat wordt afgevoerd via de longen
26